Paardenarts
Zoek op aandoening of onderwerp

Het einde van de dracht is de voorbode van een grote verandering. Natuurlijk de spannende bevalling, maar daarna ook het opstarten van de melkproductie. Tijdens de dracht voedt de merrie het veulen van binnenuit. En al is de veulengroei in de laatste maanden van de dracht redelijk groot, het staat niet in verhouding met de energiebehoefte van een jong veulen in de eerste paar maanden van het leven. En aangezien het veulen dan voornamelijk zijn voeding “uit” de merrie haalt, moet de merrie goed gevoerd worden om dit te kunnen geven en vol te houden.

Melkproductie

De melkproductie begint natuurlijk geleidelijk en start met de biest een dikke gele substantie. Daarna verandert dit in melk. Biest (eerste melk direct na de geboorte) is van levensbelang voor de gezondheid van het veulen, omdat het de belangrijke antistoffen uit biest alleen binnen 24 uur na de geboorte kan opnemen.

De melkproductie van de merrie stijgt naar 2% in de 1e levensmaand van het veulen en naar 3% van het lichaamsgewicht van de merrie in de 2e en 3e maand. De hoeveelheid energie die de merrie hiervoor nodig heeft is vergelijkbaar met dagelijks zware tot zeer zware training.

Veulengroei afhankelijk van melkproductie

Afhankelijk van de periode in het jaar dat het veulen geboren wordt kan je wel of geen gebruik maken van gras in het rantsoen. Het voordeel van een wat later veulen in tegenstelling tot “winterveulens” is dat het maken van een rantsoen voor de merrie stukken eenvoudiger is.

De hoeveelheid melk die een merrie produceert is deels genetisch bepaald, maar sterk afhankelijk van de voeding. Zonder gras is de kans redelijk groot dat de merrie een tekort krijgt aan energie en eiwit. En dit heeft effect op haar conditie, maar vooral ook op de melkproductie. Daalt de melkproductie, dan heeft dit gevolgen voor de groei van het veulen. Kleine variaties zijn niet zo erg, maar een grote dip in de groei kan gevolgen hebben voor later. Als het veulen plots weer sneller gaat groeien kan dat oorzaak zijn van groeistoornissen in de botontwikkeling. Een gestage, geleidelijke groei en dus voldoende melkproductie bij de merrie, helpt om problemen te voorkomen.

Goede voorbereiding is het halve werk

Omdat je de merrie niet zomaar een ander rantsoen kan geven als het veulen er is, neem je in de laatste maand van de dracht tijd om deze verandering voor te bereiden.

Je bent misschien al bewust van de noodzaak dat de merrie baat heeft bij een goede kwaliteit hooi tijdens de laatste drachtperiode. Ten eerste omdat je hiermee meer energie en eiwit levert dan met grofstengelig hooi, ten tweede omdat dit makkelijker verteerbaar is en makkelijker door de darmen passeert – die door het veulen een beetje worden dichtgedrukt. Deze kwaliteit hooi is ook de juiste kwaliteit voor na het veulenen, vooral door de hogere energie- en eiwitwaarden. Hier kan je voorzichtig wat weidegang aan gaan toevoegen als de merrie uit de winterperiode komt en veel op stal heeft gestaan. Doe dit wel met beleid, want het (voorjaars)gras kan leiden tot verteringsklachten.

Is er voorlopig geen gras voorradig, dan is het zoeken naar aanvulling van energie en eiwit op een andere manier. Dit kan met merriebrok of met bijvoorbeeld luzerne of grasbrok. Bedenk en bereken het rantsoen op basis van de behoefte van de merrie in de eerste maand van de melkproductie. Dit gebruik je om alvast in kleine hoeveelheden tijdens de laatste maanden van de dracht te voeren. Dan is het alleen nog maar een kwestie van geleidelijk de hoeveelheden verhogen in de weken na de bevalling. Uiteindelijk komen de meeste merries en veulens in de wei. Het liefst samen met andere veulens, dat is voor het veulen wel de beste manier om op te groeien.

Gezonde merrie en gezond veulen

Zorg bij weidegang dat er altijd voldoende gras staat en het geen kaal landje wordt (tijdig omweiden). Na een gewenningsperiode kan gras het grootste deel van het rantsoen zijn. Voer je beperkt gras, dan is aanvullend extra hooi en eventueel merriebrok nodig.

Wat zeker nodig is, zijn extra mineralen en spoorelementen, want dat schiet altijd tekort met enkel gras (of hooi) in het rantsoen. Check de Body Condition Score (BCS) van de merrie om te voorkomen dat ze te mager wordt, anders zal toch meer bijvoeding nodig zijn. De groei van het veulen is een goede graadmeter voor de melkproductie. Helaas is het niet makkelijk om het veulen elke maand te wegen. Een geleidelijke groeicurve is beter dan een te trage of te snelle groei. Na 3-4 maanden daalt de melkproductie van de merrie en eet het veulen zelf al redelijk wat gras. Om de overgang naar het spenen (ook wel afspenen, bij een leeftijd van 5-6 maanden) goed te laten verlopen is het noodzakelijk dat het veulen zelfstandig voldoende kan eten, het liefst ook wat krachtvoer. Na het spenen moet het rantsoen van de merrie natuurlijk weer aangepast worden.

Risico op hoefbevangenheid bij de fokmerrie

Vanwege de fysieke belasting door het extra gewicht tijdens de dracht is het niet aan te raden om een merrie met hoefbevangenheid te laten dekken. Maar soms weet je niet dat een merrie insulinedysregulatie heeft of is ze tijdens de dracht te dik en zo “suikergevoelig” geworden. Tijdens de laatste periode van de dracht ontstaat er een natuurlijke vorm van insulineresistentie Zo zorgt de merrie ervoor dat het veulen voldoende glucose en dus energie krijgt. Normaal gesproken niets aan de hand. Maar bij paarden die al insulinedysregulatie hebben, kan deze tijdelijke insulineresistentie uitmonden in hoefbevangenheid. Wees dus alert op de conditie van de merrie, en laat haar geen overgewicht krijgen.

Weidegang bij hoefbevangenheid

Heeft de merrie hoefbevangenheid ontwikkeld of is ze er gevoelig voor, dan is het goed om een dierenarts of voedingsconsulent paard het rantsoen te laten bekijken. De merrie heeft haar voedingsstoffen nodig voor de melkproductie maar niet teveel suikers. Het dilemma ontstaat nu dat weidegang voor de melkproductie en voor het veulen erg goed zou zijn, maar niet voor de hoefbevangenheid. Gelukkig is de stofwisselingstoestand tijdens de melkproductie geheel gericht op het produceren van melk. Dat betekent dat het lichaam suikers naar het uier te stuurt voor de productie van lactose (melksuiker). Daardoor zijn er minder hoge suikerpieken in het bloed en levert dit minder hoge insulinereacties op, waardoor het risico op hoefbevangenheid relatief beperkt is. Afhankelijk van de ernst van de situatie kan er toch (wat) gras gevoerd worden, mits er rekening wordt gehouden met de groeistadium van het gras (geen verse jonge wei/voorjaarsgras) en tijd van de dag (voorkeur voor de ochtend).

Verder lezen?

Lees meer over de voeding van de drachtige merrie in dit kennisartikel:

Chipnummer zoeken

Vul het chipnummer in en vind de gegevens bij het paard.
Meer info

Onze partners

boehringer-ingelheim-logo donkergroen
Zoetis_logo
Dumea Onderzoek & Advies logo
Hippo Horse Insurance -logo
Hay to You logo