Logo Paardenartsnl

Paardenarts.nl

Voeding bij (sport)paarden met spierproblemen

De oorzaken van spierproblemen kunnen zeer divers zijn. Ook het rantsoen valt daaronder. Een uitgebreide rantsoencheck is noodzakelijk om dit goed te kunnen beoordelen. Niet alleen de soort en het aandeel aan energiebronnen spelen een rol, maar ook het eiwit, mineralen en vitaminen in het rantsoen. Bij bepaalde aandoeningen die leiden tot spierbevangenheid kan een aangepast rantsoen helpen erger te voorkomen.

Advertentie

In dit artikel lees je meer over voeding bij spierproblemen:

 

Spiervezels in spierbundels

Spierbundels zijn opgebouwd uit spiervezels. Spiervezels bestaan uit eiwitten (actine en myosine) die samentrekken en zo de spiervezels verkorten. Op deze manier trekt de spier via de pees aan de botten voor buiging en strekking van de gewrichten. Het zenuwstelsel zet via prikkels de spieren in beweging. De prikkelgeleiding van de zenuw naar de spier, maar ook de contractie van de spier gaat gepaard met gebruik van mineralen, zoals calcium, magnesium, natrium en kalium. In de spiervezels verbranden ‘energiefabrieken’ brandstof. De soort brandstof en het verbrandingsproces kan verschillend zijn per type spiervezel.

Spiervezeltypen en training

Het paard heeft verschillende typen spiervezels. Deze spiervezeltypen zitten door elkaar heen in spierbundels. Maar zowel door genetische aanleg als training kan de verhouding per paard anders zijn en veranderen gedurende de tijd. Het verschil zit in de soort energie die de spiervezels gebruiken en de wijze waarop brandstof in energie wordt omgezet en daarmee de mate van inspanning die zij leveren.

Verbranden de energiefabrieken glucose (‘suiker’) dan kan de spiervezel snel energie krijgen en snel samentrekken. Het voordeel van de glucose verbranding is dat de (snel vrijkomende) energie makkelijker in kracht omgezet kan worden. Verbranding van glucose kan zowel met als zonder zuurstof plaatsvinden. Zonder zuurstof blijft er melkzuur als restproduct over.

Bij de verbranding van vet komt energie langzamer beschikbaar, maar wel gedurende een langere periode. Het is geschikt voor minder krachtig type werk. Vetzuren kunnen alleen in aanwezigheid van zuurstof verbrand worden.

Een derde energiebron voor de spieren zijn direct bruikbare energiepakketjes die klaarliggen in de spiercellen. Dit levert supersnel energie, maar de voorraad is beperkt. Hiermee kan een paard snel wegspringen of een sprintje trekken.

De energie en het verbranden van de energie in de spiercel is mogelijk bij voldoende aanvoer van energiebronnen en van zuurstof via het bloed. Dit vraagt bij topsport om een grote long-hart capaciteit, goede voeding en gepaste training. Aanleg en training zorgen voor een sterk paard met een groot uithoudingsvermogen.

Training helpt spiervezels zich aan te passen aan het werk wat gevraagd wordt. Kortom, je moet trainen voor wat je nodig hebt in de uiteindelijke prestatie. Realiseer je dat het paard, in zijn algemeenheid, een bewegingsdier is. Uitgerust met hart-, long- en spiercapaciteit om langdurig te lopen. De meeste prestaties die wij van onze paarden vragen zijn voor de capaciteit die ze van nature mee krijgen niet hoog. Soms is het moeilijk in te schatten of het werk wel of niet zwaar is voor het paard. Tegenwoordig is dit met hartslagmeting en melkzuur bepaling tijdens en direct na een inspanning wel goed in beeld te brengen. Een trainingsprogramma kan nuttig zijn om je doel te bereiken met je paard. (meer informatie over trainingsanalyse vindt je bijvoorbeeld op: www.moxiesport.nl).

Terug naar overzicht

Voeding voor spieren

De spieren hebben een voorraad energie en onttrekken energie uit de reserves in lever- of vetweefsel. Als energie verbruikt is, moet dit aangevuld worden. De training en het rantsoen kunnen de energievoorraad in de spier (glycogeen) en het soort energieverbruik beïnvloeden. In de stofwisseling, en meer bij een intensivering van de stofwisseling, verbruiken alle processen naast energie ook aminozuren, mineralen en vitaminen. Voor sportpaarden moet het rantsoen aangepast zijn aan het verbruik. Tekorten kunnen leiden tot minder prestatievermogen of trager herstel.

Terug naar overzicht

Energie

De spieren hebben een flinke voorraad glycogeen, oftewel glucose. Zij gebruiken dit tijdens de prestatie in meer of mindere mate. De meeste inspanningen die paarden verrichten zijn zodanig dat de voorraad glycogeen maar weinig wordt aangesproken. Vetzuren zijn namelijk een gunstige energiebron die de spieren gebruiken als de krachtinspanning niet zo hoog is. Zeer langdurige inspanning, zoals endurance of een zeer intensieve kortere inspanning, galoprace of cross bij eventingsport, zal uiteindelijk wel leiden tot verlies van de glycogeen voorraden. De tijd om deze verliezen aan te vullen duurt bij paarden langer dan bij mensen en is niet te beïnvloeden door meer krachtvoer te geven.

Het rantsoen levert energie in verschillende vormen: zetmeel & suikers, vetten en vezels. In de dunne darm zijn er enzymen die zorgen voor de vertering van zetmeel & suikers wat leidt tot opname van glucose in het bloed. Ook voor de vetvertering beschikt het paard over enzymen en gal uit de lever om de vetzuren op te nemen in de dunne darm. Voor de vezels zijn geen enzymen in de dunne darm beschikbaar, maar zorgt de uitgebreide darmflora in de dikke darm voor de omzetting in absorbeerbare energieproducten. Bacteriën breken de vezelstructuren af en produceren daarbij vluchtige vetzuren. Verschillen in type vezel en afbraaksnelheid leidt tot een variatie aan vluchtige vetzuren. De grootste hoeveelheid is azijnzuur, gevolgd door propionzuur en het kleinste aandeel is boterzuur. Azijnzuur kan direct door spiervezels als brandstof gebruikt worden, maar ook in de lever in langere vetzuurketens worden omgezet en als vet opgeslagen in het vetweefsel. Propionzuur kan of als vetzuur worden opgeslagen of door de lever in glucose worden omgezet. Het boterzuur fungeert als energiebron voor de darmwandcellen en wordt praktisch niet in het bloed opgenomen.

Terug naar overzicht

Rantsoen: ruwvoer

Een rantsoen van enkel ruwvoer levert het paard energie op verschillende manieren:

  • Suikers die in dunne darm afgebroken en opgenomen kunnen worden.
  • Vet dat in de dunne darm afgebroken en opgenomen kan worden. Dit gaat niet direct via de bloedbaan, maar heeft eerst nog via de lymfe, het vetweefsel en de lever een paar tussenstappen voordat het als energie voor de spieren kan dienen.
  • Vezels die verschillend van structuurlengte zijn en op een verschillende manier door de bacteriën worden afgebroken en omgezet in een variatie van azijnzuur, propionzuur en boterzuur. Zij leveren deels directe energie aan de spiervezels (azijnzuur) en deels indirect door omzetting in glucose of vetzuren in de lever.

Rantsoen: ruwvoer & krachtvoer

Een rantsoen van de combinatie ruwvoer en krachtvoer levert dezelfde variatie aan energiebronnen, maar in een andere verhouding. Krachtvoer bevat vooral zetmeel & suikers en soms extra vet als energiebron. In de grafiek staat de energie uit verschillende rantsoenen voor een paard van 600 kg dat licht werk doet. Bij een meer krachvoerrijk rantsoen, hier in de vorm van haver, stijgt de energie uit suiker (en zetmeel) en daalt de energie uit vezels (ruwe celstof). Met extra haver krijgt het paard een groter aandeel snel beschikbare energie die in de dunne darm verteerd moet worden. Maar let op: Voor behoud van een gezonde darmwerking mag het vezel aandeel in het rantsoen niet te laag worden.

Grafiek 1: Energie (kilojoule) berekend uit de opname van suiker (+zetmeel), vet en ruwe celstof (RC) bij verschillende rantsoensamenstellingen voor een paard (600 kg) met licht werk. Een rantsoen met alleen hooi levert vooral energie uit vezels (RC), terwijl een rantsoen met veel haver veel energie levert uit suiker (+zetmeel).

Terug naar overzicht

Eiwit

De eiwitbehoefte is niet heel erg hoog, maar voor sportpaarden mag het rantsoen niet te eiwitarm zijn. Geef je ruim eiwit voor wat het paard nodig heeft, dan krijgt het paard meestal ook wel alle noodzakelijke aminozuren. Is de eiwitopname krap, dan moet de eiwitbron wel goed zijn, bijvoorbeeld soja (lees krachtvoer label). Deze zaken zijn niet makkelijk te controleren. Een ruwvoer analyse is een begin en een controle door een voedingsdeskundige het vervolg. Een te groot overschot aan eiwit kan de prestatie nadelig beïnvloeden en tot verzuring leiden.

Terug naar overzicht

Mineralen en vitaminen

Tijdens inspanning stijgt het niveau van de stofwisseling en gaat het paard zweten, kortom, de behoefte aan mineralen en vitaminen gaat omhoog. Tekorten kunnen leiden tot prestatie vermindering, minder herstel en zelfs tot spierbevangenheid.

Het zweet van paarden is rijk aan met name natrium, chloor en kalium. En in veel mindere mate aan magnesium, calcium en fosfor. De zweetproductie is moeilijk te voorspellen en te meten. Dat maakt het lastig de juiste aanvulling in het rantsoen te geven. Tekort aan natriumchloride heeft nadelig effect op het herstel. Voor wat betreft magnesium is het verlies met zweet laag. Een tekort aan magnesium is niet gerelateerd aan spierbevangenheid. Omdat magnesium een rol speelt in de prikkeloverdracht van zenuw naar spier, krijgt het wel veel aandacht bij nerveuze paarden. Bewijs is er niet of extra toedienen van magnesium boven de noodzakelijke behoefte rustgevend is.

Vitamine E staat bovenaan als het gaat om de relatie tussen spieren en voeding. Als anti-oxidant is vitamine E een belangrijke factor om spiercel schade te voorkomen. En het is ook zo dat vitamine E niet altijd automatisch in elk rantsoen op orde is. Aandacht voor vitamine E bij sportpaarden is terecht.

Een andere anti-oxidant is vitamine C. Nu is dat geen essentiële voedingsstof voor paarden omdat zij het zelf aan kunnen maken, maar de eigen productie kan mogelijk tekortschieten als de behoefte hoger is, bijvoorbeeld bij stress en zware inspanning. Daarbij kan vitamine C het werk van vitamine E ondersteunen, is het oplosbaar in water waardoor het makkelijk in voeding te verwerken is en geef je niet snel teveel. Toevoeging aan het rantsoen kan dus weinig kwaad. Wel is het beter niet zomaar te stoppen, omdat een paard minder vitamine C aanmaakt als het rantsoen al voldoende verschaft en de eigen productie even tijd nodig heeft om weer op gang te komen.

Terug naar overzicht

Het beste voermoment

Het fermentatieproces in de dikke darm draait continu en genereert uit ruwvoer dus continu energiebronnen voor de spieren. Het paard eet gedurende de dag ruwvoer en een paar keer een portie krachtvoer. Krachtvoer verblijft enige tijd in de maag, wordt daarna binnen enkele uren in de dunne darm verteerd en geeft dan een stijging van energiebronnen in het bloed. Paarden verbruiken continu energie, maar voor een meer inspannende prestatie hebben ze tijdelijk meer energie nodig. Voer je deze energie nu vlak voor de inspanning of juist niet?

Als krachtvoer in de maag zit op het moment dat het paard een zware inspanning moet doen is dat niet gunstig. De maag-darmwerking vertraagd tijdens inspanning en dat kan nadelig zijn voor de maaglediging. Blijft het krachtvoer te lang in de maag dan kan dit gasvorming geven of aanleiding zijn voor maagzweren. Na ca 2 uur is het krachtvoer uit de maag en worden de energiebronnen in de dunne darm verteerd en opgenomen. Opname van suikers in het bloed geeft een prikkel om insuline vrij te geven. Deze insuline is nodig om glucose van het bloed naar de spieren te krijgen. Als dat gebeurt en de hoeveelheid suiker in het bloed hierdoor vermindert, daalt ook weer de insuline afgifte zodat de suikerspiegel in het bloed niet te ver daalt. Heeft het paard een hele korte heftige inspanning dan zou ca 2 uur voeren vóór de prestatie, snelle energie opleveren aan de spiervezels. Is de inspanningstijd langer dan ongeveer 20 minuten, of is het piekmoment toch veel later (door vertraging van het wedstrijdprogramma) dan werkt het juist nadelig. Want wanneer de insulinespiegel daalt, kampt de spier met een tijdelijk energiegebrek, omdat het vrijkomen van vetzuren uit vetweefsel (de volgende energiebron) hierbij ook geremd wordt.

Ruwvoer gaat vrij snel door de maag en de dunne darm naar de dikke darm toe. Daar levert het een aanvulling van voedsel voor de darmflora die al bezig is met het produceren van vluchtige vetzuren die als energiebron voor het paard dienen. Feitelijk verandert er in de opname van vluchtige vetzuren in de bloedbaan niet veel, hooguit misschien de verhouding, afhankelijk van de vezel variatie van het ruwvoer. Je krijgt dus geen verstoring van de energievoorziening naar de spieren. Een (over)volle dikke darm kan hooguit wat belemmerend werken voor een intensieve inspanning, zoals race of springwedstrijd op hoog niveau. Het geven van ruwvoer kan prettig zijn voor het paard omdat het kauwen afleiding geeft en rustgevend kan zijn.

Geef paarden voor de prestatie geen krachtvoer (minimaal 3 uur) maar wel (beperkt) ruwvoer. Na de prestatie levert krachtvoer een aanvulling van de verdwenen energievoorraden, aminozuren voor de spieren en mineralen voor het herstel.

 

Terug naar overzicht

Spierproblemen

 

Verminderde bespiering

Training kan als doel hebben de bespiering te verbeteren. Heeft dat succes, dan zie je het uiterlijk van je paard veranderen. Als de toename in bespiering tegenvalt of bepaalde spiergroepen blijven achter, vraag je dan eerst af of de trainingsoefeningen wel toereikend zijn, goed uitgevoerd worden en of het paard geen belemmering heeft om ze goed uit te kunnen voeren (fysiek of als gevolg van een slecht passend zadel bijvoorbeeld). Daarnaast kan het rantsoen te weinig energie en te weinig eiwitten leveren of eiwitten die onvoldoende essentiële aminozuren bevatten. Zowel controle van het paard, de training en de uitrusting als van het rantsoen horen thuis in de analyse van deze klacht.

Ruwvoer is vaak de onbekende factor in het rantsoen. Tegenwoordig is de variatie in het eiwitgehalte in ruwvoer erg groot. De oorsprong van het ruwvoer, de maaisnede en de behandeling van het grasland zijn bepalend voor de voederwaarde. Hooi of kuilvoer van gebieden waar weinig bemest wordt, kan erg arm zijn aan eiwit. Dit kan een oorzaak zijn dat de bespiering niet verbetert, ondanks het aanvullende krachtvoer.

Terug naar overzicht

Spierstijfheid

Komt het paard wat stram uit zijn box, of loopt hij in de training niet echt lekker los, bedenk dan of de voorgaande training niet te zwaar is geweest. Blijft dit bij herhaling terugkomen, pas de trainingen dan aan. Sommige (jonge) paarden hebben nu eenmaal meer tijd nodig om oefeningen te leren en vaardigheid daarin op te bouwen. Het paard kan ook door zijn karakter eerder last hebben van spierstijfheid. Drukke, nerveuze paarden ontspannen moeilijk. Ook op stal kan dit zorgen voor spierspanning. Een tekort aan zout, soms in combinatie met te weinig drinken, heeft een nadelig effect op het herstelproces en stijfheid tot gevolg. Krijgt het paard een rantsoen met veel eiwit, dan kan dat leiden tot verzuring en dus ook reden zijn van spierstijfheid. Het ruwvoer kan dus ook té eiwitrijk zijn voor het paard. Neemt het paard veel meer eiwit op dan nodig is, dan geeft dit extra werk voor de lever en de nieren. Eiwitten worden namelijk niet in een reservebank opgeslagen.

Overtollige aminozuren worden in de lever omgezet in ammoniak, naar de nieren gebracht en omgezet in ureum en met urine uitgeplast. Een paard dat veel eiwit eet, zal meer water drinken en meer plassen (natte stal!). Onverteerd eiwit geeft verandering in de darmflora en de fermentatie in de dikke darm, met stinkende en soms slappere mest tot gevolg. Fijn en zacht ruwvoer is vaak eiwitrijker dan meer stengeliger hooi of kuilvoer. Gras en luzerne zijn ook eiwitrijk. Of het teveel is hangt af van de hoeveelheid die het paard per dag eet en de behoefte, welke weer afhankelijk is van hoe zwaar het werk is en het gewicht van het paard.

 

Grafiek 2: Ruwvoer met weinig eiwit kan leiden tot een eiwittekort (<100%) met mogelijk tegenvallende bespiering en ruwvoer met veel eiwit kan leiden tot een eiwitoverschot (>200%) met risico op spierstijfheid.

 

Terug naar overzicht

Spierbevangenheid

Spierbevangenheid is een graadje erger dan spierstijfheid, alhoewel het wel in meerdere gradaties kan voorkomen. Bij spierbevangenheid breekt het paard spierweefsel af, wat leidt tot pijnlijke spieren, veranderingen in het bloed en urine en soms tot veel zweetverlies. In minder ernstige vorm kan het lijken op stijfheid en soms zelfs verward worden met kreupelheid of hoefbevangenheid. De reden om spierweefsel af te breken is een acuut energietekort op het moment dat de spier juist energie nodig heeft voor een inspanning. Bloedonderzoek maakt duidelijk dat de spierenzymen die uit de kapotte spiercellen vrijkomen veel te hoog zijn en daarmee kan spierbevangenheid vastgesteld worden. De oorzaak is dan nog niet helder.

 

Oorzaken

 

  • Overmatige inspanning
    Plotselinge intensieve inspanning voor een ongetraind paard, een veel te zware strandrit, in de sloot geraken en moeten vechten om eruit te komen zijn bekende voorbeelden. Ook oververhitting kan tot spierbevangenheid leiden.
  • Rantsoenfouten
    Ernstige tekorten van zouten, spoorelementen of vitamine E of een overmatige hoeveelheid zetmeel en suikers in het rantsoen zijn allemaal mogelijke factoren voor spierbevangenheid.
  • Terugkerende spierbevangenheid
    Heeft het paard meerdere malen spierbevangenheid gehad, dan is nader onderzoek naar de achterliggende oorzaak belangrijk. Dit kan helpen om preventieve maatregelen te nemen. PSSM (Polysaccharide Storage Myopathy) en RER (Recurrent Excertional Rhabdomyolysis) zijn twee erfelijke typen spierbevangenheid.

Terug naar overzicht

PSSM

Paarden met PSSM slaan wel glycogeen op in hun spieren, maar op zo’n manier dat het glycogeen niet meer als brandstof te gebruiken is. Hierdoor zit het als het ware gevangen en stapelt het zich op. Deze paarden hebben dus niets aan zetmeel & suikers in het rantsoen, omdat het voor hen geen geschikte energiebron is. De sterke stapeling van glycogeen en het gebrek aan een geschikt alternatief zorgt ervoor dat de spier in acute energienood komt bij bepaalde inspanningen. Op dat moment krijgen ze een aanval van spierbevangenheid. Spieren zijn goed in staat om vetzuren als energiebron te gebruiken, maar schakelen bij krachtsinspanning of overmatige inspanning voor meer (snelle) energie over op glucose. Door het uithoudingsvermogen te verbeteren stel je het overschakelen op glucose steeds verder uit. Vandaar dat in de preventiemaatregelen voor paarden met spierbevangenheid gerichte en continue training erg belangrijk is. Daarnaast is de glycogeenstapeling te beperken door het rantsoen zetmeel & suiker arm te maken. De ernst is sterk variabel en zo ook de mate waarin het rantsoen zetmeel & suiker arm moet zijn.

Door middel van bloed-, spier- of haaronderzoek kan de diagnose PSSM gesteld worden. Er zijn twee varianten: PSSM type 1 en PSSM type 2. Voor paarden met PSSM type 2 lijkt de stoornis niet zozeer in de verkeerde glycogeenopslag te liggen, maar meer in spierafbraak.

Terug naar overzicht

RER

De aandoening RER is minder bekend en kan niet definitief vastgesteld worden. Het gaat om een probleem in de calciumhuishouding in de spier, die niets te maken heeft met het calciumgehalte in het rantsoen. Paarden met deze aandoening zijn vaak gestrest en nerveus van aard. Door het defect zijn ze minder in staat te ontspannen. De overmatige spierspanning kan bij inspanning tot energietekort leiden en zo spierbevangenheid veroorzaken. Belangrijk in de preventie is om het paard te laten ontspannen. Wat voeding betreft geeft een zetmeel & suikerrijk rantsoen vaak meer temperament en nerveuze reacties. Een vetrijk rantsoen met weinig zetmeel & suiker daarentegen vermindert stress.

Terug naar overzicht

Aanpassing voeding bij spierbevangenheid

 

  1. Acute aanval
    De afbraak van eigen spieren kan alleen gestopt worden door het paard stil te zetten. En wel zo snel mogelijk. Treedt spierbevangenheid op tijdens een buitenrit, dan moet het paard opgehaald worden om erger te voorkomen. Dus plotseling niet meer willen lopen, heftig zweten en eventueel donkere urine, zijn symptomen van ernstige spierbevangenheid die je niet kan en mag negeren. De dierenarts zal pijnstillers en vocht geven en mogelijk extra vitamine E. Het paard mag wel ruwvoer eten, maar geen krachtvoer. Bloedonderzoek wijst uit of de spierafbraak vermindert en wanneer gestart kan worden met lichte training.
  2. Heeft het paard herhaaldelijk spierbevangenheid gehad en is het rantsoen gecontroleerd en op alle punten voor gezonde paarden prima in orde, dan moet toch gekeken worden of een aangepast rantsoen de aanvallen kan voorkomen. Hoe dat aangepaste rantsoen eruit moet zien, is afhankelijk van de ernst en de energiebehoefte van het paard. Paarden met PSSM zijn vaak relatief rustig van aard, hebben een goede of te goede voedingstoestand en een minder energierijk rantsoen nodig dan paarden met RER. Die zijn eerder de meer nerveuze typen die snel vermageren. Ook zijn het nogal eens sportpaarden die een prestatie moeten leveren. De mate van “suikergevoeligheid” is per paard met PSSM verschillend. Alle voedermiddelen bevatten koolhydraten zoals suikers, wat het dus onmogelijk maakt een rantsoen te formuleren dat helemaal suikervrij is (en wat het paard ook nog lekker vindt). Het gaat om gradaties van suiker (en zetmeel) in het rantsoen. Paarden met RER kunnen door hun prestatie en energiebehoefte meestal iets meer zetmeel & suikers gebruiken dan paarden met PSSM, die vaak wat soberder zijn.
  3. Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat paarden met PSSM en RER een rantsoen moeten hebben met een beperkt zetmeel en suiker aandeel en een verhoogd vetaandeel. Voor paarden met PSSM zorgt dit voor een vermindering van de opslag van verkeerd samengesteld glycogeen. Voor paarden met PSSM type 2 is extra controle van de eiwitkwaliteit nodig. Zo zou naast hooi een eiwitrijk product of een supplement met extra aminozuren kunnen helpen. Voor paarden met RER blijkt dat verlaging van het Z&S gehalte en verhoging van het vetgehalte de spierspanning en de stress verminderen. Ze verspillen minder energie in de stress en spanning, houden meer energie over voor het werk en kunnen zich beter concentreren. Uitgedrukt in energie aandeel van het totale rantsoen mag het aandeel Z&S voor PSSM paarden niet meer zijn dan 8-10% en het vetgehalte moet ongeveer 10% zijn. Voor RER paarden, die vaak meer energie nodig hebben en die minder Z&S gevoelig zijn, mag het aandeel Z&S < 20% en vet 15- 20% zijn. Dit alles gerekend over het totale rantsoen. Uiteraard hoeft het vetgehalte niet zo hoog te zijn als de conditie meer dan voldoende is. Verlies dus niet het totaalplaatje uit het oog.

    Advertentie

  4. Heeft het paard aan ruwvoer genoeg om in conditie te blijven, laat het krachtvoer dan achterwege. Veel paarden kunnen tot licht of zelfs matig werk zonder krachtvoer prima presteren. Check het ruwvoer op het suikergehalte door het te laten analyseren. Gebruik ruwvoer met een suikerwaarde van minder dan 5-6% (op droge stofniveau). De variatie in grofstengelig hooi kan uiteenlopen tussen de 10-100 gram suiker per kilogram droge stof (1-10%). Geeft het ruwvoer toch nog herhaling van de spierbevangenheid, dan is weken in warm water een optie. In 30-60 minuten kan een deel van de suikers uitspoelen. Het ruwvoer is dan ook armer aan andere voedingsstoffen. Er is dus altijd een mineralen en vitaminen supplement nodig, zoals Bonpard Forage, om de tekorten aan te vullen.Heeft het paard wel extra energie nodig, gebruik dan een aanvullend voer met extra vet en vezels en zo min mogelijk zetmeel en suikers. Omdat geen enkel aanvullend voer volledig zetmeel & suikervrij is en de gevoeligheid van paarden sterk uiteen kan lopen, is het soms zoeken naar de juiste combinatie. Zeer gevoelige paarden die extra energie nodig hebben kan je ook helpen met een aanvulling met bietenpulp (met laag suikergehalte) en extra plantaardige olie. Gebruik je olie, zorg dan ook voor voldoende aanvulling met vitamine E (tabel1).
  5. Een rantsoen voor een sportpaard met RER bestaat uit ruwvoer met een laag suikergehalte plus een aanvullend krachtvoer met een extra hoog vetgehalte en beperkte hoeveelheid zetmeel en suikers. Er is dieetvoer speciaal samengesteld voor dit type paard met spierbevangenheid (tabel 1). Zo krijgt het paard energie om te presteren, maar zal de spierspanning en het risico op spierbevangenheid verminderen.

    Advertentie

  6. Om het rantsoen volledig te hebben mogen eiwit, mineralen en vitaminen niet worden vergeten. Een passend rantsoen is gebaseerd op de behoefte (en gevoeligheid) van het paard, de ruwvoer kwaliteit en –analyse en de discipline waar het paard voor ingezet wordt. Dit vraagt maatwerk van een voedingsspecialist en een dierenarts. Dierenartsen die opgeleid zijn tot Voedingsconsulent Paard zijn de aangewezen personen om hierop aan te spreken.
Tabel 1: Rantsoenvoorbeelden voor paarden met spierbevangenheid als gevolg van PSSM of RER

Tabel 1: Rantsoenvoorbeelden voor paarden met spierbevangenheid als gevolg van PSSM of RER

Natuurlijk mag een trainingsadvies niet ontbreken bij paarden met spierbevangenheid. Het is belangrijk om een geleidelijke trainingsopbouw te maken met een goede warming-up en cooling-down fase.

Paarden met problemen in de bespiering of met echte spierbevangenheid komen geregeld voor. De oorzaak en daarmee de manier om middels het rantsoen de situatie te verbeteren en erger te voorkomen is nogal divers. Het is daarom belangrijk om niet alleen het paard, maar ook de training en het rantsoen te beoordelen. Doe dit samen met je dierenarts. “Ad random” adviezen van iedereen opvolgen zonder dat je weet wat er aan de hand is, maakt de situatie meestal niet beter. Investeer liever in goed onderzoek en een gedegen plan van aanpak dan in het zomaar uitproberen van weer een ander voer of extra supplementje.

Auteur: Anneke Hallebeek

 

Advertentie

Gerelateerde artikelen:

Spierbevangenheid | Atypische Myopathie | Voerwijzer voor paarden: voer en vertering | Keuzestress; welk voer geef ik mijn paard 

 

 

 

 

 

Mis geen veterinaire informatie meer!

Onze Business partners


Link naar deze pagina: https://www.paardenarts.nl/kennisbank/voeding-bij-sport-paarden-met-spierproblemen/