Paardenarts
Zoek op aandoening of onderwerp
Leestijd: 18 minuten

Het lijkt vanzelfsprekend dat paarden in de wei staan, maar het geven van weidegang aan paarden heeft nogal wat voeten in de aarde. Omdat paarden grazers zijn, lijkt weidegang het meest natuurlijke aspect van de voeding, maar door de mogelijke gezondheidsrisico’s zien veel paardenhouders hier weer van af. Één ding is duidelijk, paarden zijn niet gemaakt om 24 uur per dag in een box te staan. Dus voor de noodzakelijke beweging, sociale contacten en eetwijzen is een grote uitloop met voergelegenheid nodig.

In dit artikel lees je meer over weidegang voor paarden.

Het paard in de wei

Weiden zijn er in zeer uiteenlopende ‘kwaliteiten’, variërend van een kort gegeten, zanderig, onkruidrijk veldje tot een groene zee van mals gras. Ook paarden zijn er in zeer veel variaties voor wat betreft gezondheid, grootte en prestaties. Van een chronisch hoefbevangen Shetlander tot een vermagerde senior of een grand prix paard. Al deze verschillende factoren maken duidelijk dat er niet één ideale manier is om paarden weidegang te geven. Met kennis van wat moet, wat kan en wat mag én binnen de mogelijkheden van je eigen situatie, zorg je voor de meest ideale manier van paardenhouden.

De natuurlijke situatie: wilde paarden

Het paard dag en nacht weidegang geven lijkt het meest bij de natuurlijke situatie te passen. Toch is weidegang zoals wij dat nu kennen iets anders dan de situatie waarin wilde paarden leven. Wilde paarden die een groot gebied tot hun beschikking hebben, lopen vijf tot tien kilometer per dag. Ze eten onderweg en blijven niet lang op dezelfde plek. Pas veel later komen ze weer op dezelfde locatie terug. Het gras en de planten hebben voldoende tijd om te groeien en de mest wordt ruim verspreid.  Paarden eten graag jonge grassen, maar zelfs bij voldoende grasaanbod ook boomschors, takjes en kruiden.

Zo’n 20% van het rantsoen is geen gras. De eetpauzes duren maximaal 3 - 4 uur. De energieopname is gerelateerd aan de maximale droge stofopname; dus de hoeveelheid voedingsstoffen zónder het water dat het gras bevat (zie kadertekst verderop), die weer afhankelijk is van de mate van verteerbaarheid.

Dr. Anneke Hallebeek

In de groeizame maanden zal het paard meer energie opnemen dan nodig is en dit als vetreserves opslaan. In droge of koude perioden met weinig voedselaanbod en minder goed verteerbaar voedsel worden de vetreserves weer verbruikt. De conditie van de paarden kan daardoor gedurende het jaar van te dik naar te mager en weer naar te dik veranderen. Merries die drachtig zijn of melk produceren verbruiken veel energie en worden minder snel te dik. Hetzelfde geldt voor de verhoogde activiteit van de hengsten en de jongere opgroeiende paarden in de kudde. In de natuurlijke situatie hebben paarden een zeer groot gebied tot hun beschikking, hebben ze te maken met rijke en schrale perioden en is hun voederbehoefte vaak hoger dan in de hedendaagse situatie.

Is weidegang gelijk aan de natuurlijke situatie?

Nederlandse weiden bevatten vaak redelijk mals gras. De verteerbaarheid van gras is hoog en het paard haalt hier veel energie en eiwitten uit. Oud, lang doorgegroeid gras is wat trager verteerbaar en levert minder energie en eiwit. Dit zou op zich een betere basis zijn bij onbeperkt of veel weidegang. Een praktisch nadeel is dat de hergroei traag verloopt en je dus veel land nodig hebt om paarden continu hard, lang gras aan te kunnen bieden.

De meeste paardeneigenaren beschikken niet over weilanden van vele hectaren groot. De hoeveelheid kilometers die paarden afleggen is dus zeer beperkt. Blijven paarden in dezelfde wei, dan eten ze deze tot op de bodem kaal en zal de mest zich ophopen. Daar komt bij dat de energiebehoefte vaak beperkt is, tenzij het gaat om paarden die drachtig zijn, een veulen hebben, hengst zijn of groeien. De sport vergt uiteraard ook energie, maar de bijdrage op het totaal is betrekkelijk, tenzij het paard echt op hoog niveau presteert en veel en zwaar getraind wordt. Het aanbod van energie is dus hoger terwijl de behoefte daaraan juist lager is dan in de natuurlijke situatie. Vandaar dat veel paarden in de wei te dik worden.

Wel of geen weidegang aanbieden

Vrij bewegen en sociaal contact is een onmisbaar onderdeel van het welzijn en de gezondheid van paarden. Toch is de vraag of je deze behoeften altijd met weidegang moet invullen. Wil je het grasland in stand houden, zonder dat het volledig kaalgegeten wordt en uiteindelijk omgevormd wordt in een zand- en onkruidveld, dan moet je paarden er tijdig afhalen. Paarden bewegingsgelegenheid geven in combinatie met voeropname kan ook op een grote paddock of een paddock paradise met lange looppaden bewerkstelligd worden.

Weidegang biedt een fijne afwisseling. Vrije beweging met andere paarden is een noodzakelijk onderdeel in het houden van paarden. Om paarden en weiland gezond te houden is beleid nodig om het aanbod van gras en behoefte aan energie en andere voedingsstoffen op elkaar af te stemmen.

Hoeveel gras eet een paard?

Bij onbeperkte weidegang eet een paard een bepaalde hoeveelheid gras per dag, de zogenaamde maximale droge stof capaciteit. De hoeveelheid droge stof ligt ongeveer tussen de 2 – 2,5% van het lichaamsgewicht van het paard (soms ook hoger, zie kadertekst met uitleg over het drogestofgehalte).

Wat is de voedingswaarde van het gras (de planten) voor het paard?

Als een KWPN-er van 600 kilo onbeperkt weidegang krijgt, dan eet hij dagelijks zo’n 80 kilo vers gras. Niet zo vreemd dat het paard een ‘grasbuik’ krijgt. Deze 80 kilo vers gras bestaat uit 12,5 – 15 kilo droge stof en meer dan 65 liter water en levert ruim 10 EWpa (energiewaarde paard) en meer dan 1,5 kilo VREp (verteerbaar ruw eiwit paard). Stel dat dit paard elke dag een flinke bosrit maakt, dan heeft hij 7 EWpa en 500 gram VREp nodig. Het overschot aan energie komt als vet in de buik en onder de huid terecht. De ‘grasbuik’ verdwijnt snel als het paard op stal wordt gezet, het is tenslotte voor een groot deel water. Het opgeslagen vet verdwijnt minder snel en als dit er dagelijks bijkomt ontstaat een risicovolle situatie. Obesitas bij paarden kan oorzaak zijn van hoefbevangenheid.

Uitleg over het droge stofgehalte van voeding: het totaal aan voedingsstoffen

Elk voedermiddel bevat een deel water. Het totaal aan voedingsstoffen zoals koolhydraten, vezels, eiwitten, vetten en mineralen noemt men de ‘droge stof’. Dit is het deel dat overblijft als al het water uit het voer verdampt. Om de gehalten aan voedingsstoffen van verschillende ruwvoeders te kunnen vergelijken worden deze uitgedrukt per kilogram droge stof.
De maximale droge stof opname van paarden varieert tussen de 2% en 3% (soms wel 5%) van het lichaamsgewicht per dag bij onbeperkte voervoorziening. De hogere droge stof opname komt voor bij de kleinere rassen. De droge stof opname van een Shetlander kan liggen tussen de 4 – 6 (tot 10) kilo per dag, een KWPN-er tussen de 12 – 15 (misschien wel 18) kilo. De mate van verteerbaarheid heeft invloed op de maximale droge stofopname. Snel verteerbaar voer zoals gras of een combinatie van hooi en krachtvoer verteert sneller dan alleen hooi. Maar de maximale opname houdt in dat de darmen ‘vol’ zitten en het voer eerst verteerd moet worden. Het paard eet tot een bepaalde droge stofopname bereikt is, dus ongeacht de hoeveelheid water in het product. Een paard van 600 kilo eet dus ongeveer dezelfde hoeveelheid aan droge stof uit gras als hooi bij een onbeperkt aanbod. Dat betekent een groot verschil in de totale hoeveelheid: 80 kilo gras bevat net zoveel droge stof als 14 – 15 kilo vers hooi.

Onderstaand een voorbeeld van gras in vergelijking tot hooi:

 

paardenarts-nl-vermageringsdieet-paarden-tabel-4-hoeveel-vers-ruwvoer-is-1-kg-ds-bij-verschillende-droge-stofgehalten

Tabel VREp (gram) in hooi en gras (per kilo)

Droge stofgehalte van gras

Droge stofgehalte van hooi

Weidegang aanbieden

Van stal naar weide

Bij de overgang van stal naar weide verandert het rantsoen van je paard. De verandering in voedingsstoffen is erg groot, als je paard gewend is aan hooi en krachtvoer en nu gras krijgt. Dit vergt een aanpassing van de enzymproductie in de dunne darm en de samenstelling van de bacterieflora in de dikke darm. Deze aanpassing kost tijd. Een plotselinge grote voerverandering kan leiden tot koliek, hoefbevangenheid en diarree. Door elke dag het rantsoen een beetje te veranderen geef je de vertering de tijd zich aan te passen. Als je einddoel 5 uur weidegang per dag is, ga je in twee weken het stalrantsoen verminderen en de tijd op het gras ongeveer een half uur per dag verhogen. Paarden die gevoelig zijn voor voerveranderingen hebben hier meer tijd voor nodig. Houd er rekening mee dat ook aan het einde van het weideseizoen de overgang naar de stal een verandering van rantsoen betekent.

Naast beweging en sociaal contact kan het paard in de wei op de meest natuurlijke manier voedsel opnemen. Dit is met het hoofd laag bij de grond, gras afbijten en kauwen. Hier kun je in voersystemen ook rekening mee houden, maar dit nooit helemaal evenaren. Het gras bevat behalve de energie bevattende koolhydraten (zoals suikers), vetten en eiwit nog vele andere voedingsstoffen.

De mineralen en spoorelementen in het gras worden bepaald door de bodem (en bemesting) en variëren. Een aantal spoorelementen is in Nederlandse grassen (en bodem) krap voorzien. Een compleet rantsoen is het dus niet. Of andere voedermiddelen zoals boomschors, kruiden of takken dit voldoende compenseren is de vraag, als ze hier al toegang tot hebben. Een voordeel van gras is het hoge vitamine E gehalte en het aandeel caroteen (caroteen zet het paard om in vitamine A). De kans op een laag vitamine E gehalte in een stalrantsoen is redelijk groot als een paard weinig krachtvoer en wat ouder hooi krijgt (vaak tegen het einde van de winter).

Voor welke paarden is gras juist goed?

Door de hoge verteerbaarheid en het vaak redelijk hoge eiwitgehalte is gras een uitstekend voedermiddel voor paarden die te mager zijn en voor oudere paarden die minder goed kunnen kauwen. Zelfs zonder tanden kan gras vaak nog verwerkt worden! Voor het oudere paard is de beweging in de wei ook positief om stijfheid te voorkomen. Andere paarden met een hogere energie- en eiwitbehoefte zijn fokmerries en opgroeiende veulens. Heeft een paard vaak harde mest of zelfs koliek door een verstopping, dan kan gras helpen deze klacht te verbeteren. Vochtrijke snel verteerbare voedermiddelen passeren sneller de darmen. De keerzijde van deze medaille is dat dit effect van gras bij andere paarden slappe mest tot gevolg heeft of juist de fermentatie in de dikke darm verstoort en daarmee koliekklachten teweeg brengt.

De kunst is om per paard de juiste combinatie van voedermiddelen te kiezen. Gras kan er daar één van zijn, maar hoeveel daarvan gezond is verschilt dus per paard.

Risico's van weidegang

Kans op blessures

Sommige eigenaren zijn huiverig om hun paard  weidegang te geven omdat ze geblesseerd kunnen raken. Een uurtje in de wei nadat ze 20 uur op stal hebben gestaan kan inderdaad flinke capriolen tot gevolg hebben. Een risico voor het paard en niet goed voor de grasmat. Geef je paarden geregeld veel uitloop en beweging, dan zijn ze minder heet en hectisch als ze naar buiten gaan.

Bij paarden die regelmatig brokken maken kan het verstandig zijn om ze voor de zekerheid eerst te laten werken of ze in de paddock te zetten zodat ze vast wat energie kwijt zijn, het stukje waar ze kunnen rennen niet te groot te maken en ze niet op nat gras te zetten om uitglijden te voorkomen.

Variabele samenstelling van voedingsstoffen in het gras

Het risico van gras voor paarden op de langere termijn is dat ze te dik worden. Op de korte termijn zit het risico in de snelle variatie aan samenstelling van voedingsstoffen in het gras. De variatie aan voedingsstoffen in het gras verandert gedurende de totale groei, maar ook gedurende de dag. Jong gras bevat veel blad en nog maar weinig stengel. Hierdoor is het eiwitrijk maar bevat het weinig vezels. De verteerbaarheid is hoog; het paard haalt er veel energie uit. Het gebrek aan stevige vezels maakt dat het gras vrij snel wordt afgebroken door de bacteriën in de darmen, wat kan leiden tot dunne mest of koliek.

Let op in het voorjaar (en najaar!); suikerrijk (voorjaars/najaars)gras kan gevaarlijk zijn!

Stijging van suiker- en fructaangehalte

Risico op hoefbevangenheid, koliek en/of diarree

Begint het al wat de duizelen? En maak je je zorgen of je jouw paard in de wei kan zetten of niet? En hoe lang en wanneer? Vraag advies aan een deskundig voedingsadviseur. Dat geeft rust en zekerheid!

Gezonde  weiden creëren: van belang voor een goed weidemanagement

Grasgroei

Voor grasgroei zijn naast zonlicht en water ook nitraat (stikstof), fosfaat, kalium en andere mineralen nodig. Is de grond te zuur, dan is kalk nodig om dit te verbeteren, anders nemen de graswortels de voedingsstoffen minder goed op. Bij veel gebruik van het grasland (grazen en maaien) verdwijnen de voedingsstoffen. Met bemesting kan dit worden aangevuld. Doe je dit niet dan verschraalt de grond en groeit het gras zeer traag, waardoor andere planten kunnen opkomen en het gras verdringen. Ook te sterk aangetrapte grond is ongunstig, omdat ook graswortels lucht nodig hebben.

Een bodemanalyse geeft duidelijkheid wat voor welk perceel nodig is (dit kan o.a. bij Dumea Argro). Een hectare grasland met 15 – 17 cm gras, bevat ongeveer 1.700 kilo droge stof gras, met 10 – 12 cm gras ongeveer 1000 kilo droge stof. Gemiddeld groeit het gras met 20 kilo droge stof per hectare per dag, dit is zonder extra bemesting. Zelfs op een kaalgegeten weiland (groeipunten aangetast, minder stikstofleverend vermogen in de bodem) kan nog 5 – 10 kilo droge stof  gras groeien per hectare per dag. Door het grasland te bemesten is de grasgroei te verhogen tot 50 kilo droge stof gras per hectare per dag.

Maar op mijn weiland staat bijna niets...

Stikstofbemesting: drijfmest, stalmest, kunstmest

De bodem heeft een bepaald stikstofleverend vermogen. Als dit onvoldoende is kan nitraat (voor de plant opneembare stikstof)  toedienen (bemesten) de grasgroei stimuleren. In drijf- of stalmest en in kunstmest komt stikstof voor als ammonium. Bodembacteriën zetten dit om in nitraat. Nitraat is opneembaar door de wortel van de plant. In het vroege voorjaar is er weinig opname door de plant en gaat nitraat verloren en spoelt uit. Met aanpassingen in de meststoffen kan de afgifte vertraagd worden en kunnen verliezen (die slecht zijn voor het milieu) worden voorkomen. Bij stalmest komt nitraat ook trager beschikbaar. Het levert stikstof voor de eerste snede, maar ook nog voor de grasgroei daarna. Vaste rundveemest bevat minder stikstof dan varkensmest en kippenmest. Het hoge stikstof gehalte van kippenmest zorgt voor plotseling veel stikstof en snelle groei van het gras, wat niet wenselijk is voor paardenweiden. Bemestingsadviezen zijn anders voor maaien dan voor grazen en vaak gericht op een maximale droge stof productie en grasgroei. Voor paardenweiden zijn aparte adviezen nodig.

Hoeveel oppervlakte weiland heeft een paard eigenlijk nodig?

Graszaadmengsel

Bij opnieuw inzaaien van de wei kan gekozen worden voor graszaadmengsels die bestand zijn tegen kort afgrazen en betreding. Een goede beworteling en uitstoeling (grasplant vormt nieuwe spruiten en verdicht hiermee de grasmat) zijn nodig om bestand te zijn tegen betreding. Grassoorten met een laag groeipunt kunnen tegen kort afgrazen, wat paarden doen. Niet alle grassoorten zijn even smakelijk of groeien even hard. Vandaar dat niet één graszaad het beste is, maar beter gekozen kan worden voor een combinatie. Voor meer stikstof in de bodem zijn vlinderbloemigen (klaver of luzerne) gunstig. Of kruiden in een graszaadmengsel blijven bestaan in de wei is de vraag. Vaak zal het gras harder groeien en de kruiden op den duur verdringen. Met meer of minder bemesting en gericht gebruik is het mogelijk een mooi evenwicht te verkrijgen. Dit vergt wel aardig wat vakmanschap.

Barenbrug Horse Master - voor een sterke groene weide

– advertentie –

Welk graszaadmengsel er ook gekozen wordt, de aanwezige hoeveelheid energie en eiwit in de wei zal nog altijd redelijk hoog zijn. Dus maatregelen om te grote gewichtstoename van de paarden te voorkomen blijven noodzakelijk.

Beperkt of onbeperkt de wei in

Bij graslanden in Nederland is de opbrengst aan gras zo hoog dat onbeperkte opname bijna altijd teveel energie levert en leidt tot vervetting, zelfs voor sportpaarden. Paarden eten graag de toppen van het gras die zoet, smakelijk en energierijk zijn en makkelijk te verteren. Geef je paarden elke dag een relatief vers stuk gras, dan kan de opname aan energie ook snel te hoog worden. Fokmerries en opgroeiende paarden kunnen wel onbeperkt de wei in. Voor het merendeel van de paarden is een beperkte tijd in de wei echter beter om de conditie onder controle, en het grasland heel te kunnen houden. Langer, ouder, meer structuurrijk gras remt de opname (paarden moeten langer kauwen), en dus kunnen ze langer de wei in. De meeste paardenbezitters hebben maar een beperkte hoeveelheid weiland en laten paarden daar beperkt grazen. Ook bij beperkte weidegang is goed management nodig om de weide gezond te houden.

Paarden bijten het gras zeer kort af, waardoor de kans bestaat dat ze daarmee ook veel zand binnenkrijgen en bovendien de grassen beschadigen. Het groeipunt van gras kan hoger of lager liggen, maar bij zeer kort afgrazen verdwijnt het groeipunt en duurt het langer voordat het gras weer hergroeit.

Beweidingssystemen

    • Standweiden:
      Paarden lopen lange tijd op een stuk weiland. Het is moeilijk om een groep paarden in goede conditie te houden bij 24 uur weidegang, mét behoud van een gezonde weide. Tenzij de oppervlakte erg groot is, de weide meer natuurweide wordt (meer andere planten, lang gras) en de paarden in de winter minder te eten krijgen om overtollig vet te verbranden. Een hoge bezettingsgraad (veel paarden per hectare) zorgt voor een snelle vermindering van de hoeveelheid gras en door het kort afgrazen een tragere hergroei. Staan er minder paarden dan kan deze wijze van begrazing leiden tot vervetting.
    • Rotatie- of omweiden:
      Het land is opgedeeld in verschillende percelen en de paarden staan een aantal weken op elk deel zodat het gras tussendoor de kans krijgt te groeien. Bij dit systeem krijgen de paarden redelijk jong, vers gras wat energie rijk is, tenzij de stukken zo groot zijn dat het gras lang kan doorgroeien. Dit laatste is meestal niet het geval. In beide situaties krijgen de paarden snel teveel energie binnen en vervetten.
    • Strookbegrazing:

      Strookbegrazing

      Een deel van de wei is afgezet en de paarden mogen dit deel opeten voordat de draad weer verzet wordt. Om het gras te laten hergroeien en te kaal afeten te voorkomen moet ook het afgegraasde deel worden afgezet. Met redelijk lang gras en voldoende tijd om het gras weer te laten hergroeien kan dit systeem wel werken. Het is wel behoorlijk veel werk.

Let op dat grazen niet schranzen wordt!

Zet je paarden korte tijd op vers gras dan kan de grasopname per uur toenemen. Heel kort beweiden heeft nadelen, zeker als ze met honger de wei in gaan en ze geleerd hebben dat ze over een half of heel uur er weer uit moeten. Grazen wordt schranzen! Is het gras suikerrijk, dan kan dit eetpatroon zelfs insulineresistentie in de hand werken. Beter is om het paard voor weidegang hooi te voeren en ze niet in jong gras te zetten.

Conclusie: beweiding is bewerkelijk

De zorg voor een goede grasmat kost tijd en vergt kennis van zaken. Bij weinig land zal de mest geregeld verwijderd moeten worden. Beperkt weiden houdt in dat een paard naar en van de wei gehaald moeten worden. Veel werk dus.

Paddock (paradise)

Het zou interessant zijn een systeem te ontwikkelen waarbij paarden in een soort paddock paradise kunnen rondlopen en automatisch toegang krijgen tot een stuk grasland als het hun tijd is (en er ook weer uitgejaagd worden). Een paddock paradise systeem heeft lange looppaden, die paarden in beweging zetten. Als je lange looppaden wilt creëren en je hebt weides, dan is het relatief simpel om daar paden omheen en tussendoor te creëren waar de paarden op kunnen lopen als ze niet op het gras mogen. Dit maakt het hooien van het land wel een stuk lastiger. Voor koeienweiden zijn systemen om ze automatisch uit de wei naar de stal te drijven, helaas zal dit voor paardenhouders een wat dure oplossing zijn. Staat je paard op een locatie met alleen maar weidegang waar geen stal of paddock is, probeer dan te realiseren dat een deel van de wei omgezet kan worden in een paddock. Dan heb je een systeem om de paarden en de weiden in een gezonde conditie te houden. Maak een paddock met wit zand om te voorkomen dat er binnen de kortste tijd gras in groeit dat dan alsnog wordt opgegeten, waarschijnlijk samen met veel zand.

Graasmasker

Een graasmasker is voor te dikke paarden en paarden met insulineresistentie zeker een goede methode om de grasopname te verminderen. Het minder snel kunnen eten heeft als voordeel dat het suikergehalte in het bloed niet snel stijgt en hoge insulinepieken worden voorkomen (en daarmee hoefbevangenheid). Het graasmasker is niet bedoeld om paarden 24 uur per dag in de wei te zetten. Er is altijd het risico dat ze het afrollen (en dus toch gewoon gaan eten), of er met een hoef in verstrikt raken. Daarbij is het niet prettig voor een paard altijd een muilkorf om te hebben, en moeten ze ook zonder deze belemmering met andere paarden kunnen ‘groomen’. Dus een paar uur met graasmasker in de wei, en dan weer samen op de paddock.

8 tips voor goed weidemanagement

Weidegang doe je niet zomaar, daar is beleid voor nodig. Een aantal tips:

  1. Bepaal voordat het weideseizoen begint welke percelen of delen gebruikt worden voor beweiden en welke voor maaien (als je de keuze hebt).
  2. Maak een bemestingsplan op basis van grondonderzoek en gebruik.
  3. Laat het gras doorgroeien tot het in bloei staat voordat de paarden erop mogen.
  4. Geef paarden die geen gras gewend zijn een geruime gewenningsperiode.
  5. Geef ze voordat ze de wei in gaan, ook al is het eerst voor korte tijd, hooi te eten.
  6. Begin met een half uur tot een uur en ga geleidelijk meer graastijd geven maar ook dan minder hooi of krachtvoer.
  7. Voor de meeste paarden is ongeveer 7 uur weidegang meer dan genoeg om voldoende energie en eiwit op te nemen, als ze daarnaast nog ander voer krijgen kan het zelfs al teveel zijn.
  8. Geef ze een ander perceel of deel van het weiland als het gras korter is dan 5 – 6 cm.

Chipnummer zoeken

Vul het chipnummer in en vind de gegevens bij het paard.
Meer info

Onze partners

boehringer-ingelheim-logo donkergroen
Zoetis_logo
Dumea Onderzoek & Advies logo
Hippo Horse Insurance -logo
Hay to You logo